|
 |
De MortelenDe Mortelen vormt met 1074 hectare het grootste landschapsreservaat van Noord-Brabant en één van de grotere in Nederland. Door de overvloedige aanwezigheid van water kent de Mortelen planten- en dierensoorten die in de omgeving nauwelijks voorkomen. Dat moerasachtige landschap (mortelen betekent slijk) is te danken aan een leemlaag van ongeveer een meter dik die zich niet ver onder de oppervlakte bevindt. Deze vaste laag voorkomt dat het grondwater snel kan wegzakken in de bodem, zodat de grondwaterstand van nature hoog blijft.
 Daarnaast heeft het gebied een bijzondere hydrologische relatie met de landerijen aan de zuidkant, tot aan de Oirschotse Heide toe. Het grondwater dat zich daar verzamelt, sijpelt langzaam richting de Mortelen. Daar botst het tegen de schuin aflopende leemlaag en wordt daar uiteindelijk met veel kracht doorheen geperst. Zo verschijnt het als kwelwater aan de oppervlakte van de Mortelen, verrijkt met mineralen die ten goede komen aan de plantengroei. Door deze leemplaat is het gebied al eeuwenlang veel natterdan de omliggende natuurgebieden, waardoor de natuur hier een heel eigen weg heeft kunnen volgen. Het gebied is daardoor ook gespaard gebleven van grootschalige ontginningen en de ruilverkaveling in de jaren zestig en zeventig van de 20e eeuw. Gevolg: kleine, bijna achilderachtige agrarische percelen met veel bossen, bosjes, houtwallen, boomrijen, weitjes en akkertjes. Een stukje Brabant zoals het vroeger was. In de bloemrijke graslanden staan soorten als knolsteenbreek en koekoeksbloem, in de schraalste zelfs brede en gevlekte orchis en Spaanse ruiter. Het oude "boerengebruiksbos" wordt kleinschalig beheerd (periodiek gekapt), wat gunstig uitpakt voor planten als slanke sleutelbloem en eenbes en voor vlinders als gehakkelde aurelia en kleine ijsvogelvlinder.
De Mortel wordt in noord-zuidrichting ruwweg in tweeën verdeeld door de Lopensestraat, die zich op een hoge zandrug bevindt. Ten westen van deze weg, die al in de Middeleeuwen bestond, vinden we een venige grondsoort. Aan de oostkant komt het leem op veel plaatsen aan de oppervlakte. Hier treffen we de kleine, beplante dammetjes aan die ook wel rabatten of bedjes worden genoemd. Dit is een vorm van ontginning die 1645 per decreet werd voorgeschreven door stadhouder Frederik Hendrik.
In de Mortelen is een anti-verdrogingsproject gestart dat ervoor moet zorgen dat de unieke natuurwaarde van het gebied behouden blijft. Om dat te berieken zijn er in de waterlopen stuwen, stuwputten, drempels van natuurstenen en zogenaamde verontdiepingen aangebracht. Daardoor zal het peil van het grond- en oppervlaktewater, dat door de afwateringsmaatregelen sterkmgezakt was, met enkele decimeters stijgen.
De Mortelen vormt tevens het hart van het "Groene Woud".
|













|