
Symbool van de plaatselijke meubelindustrie.
In 1848 vertrokken Cornelus Jacobus Teurlincx en Willem Meijers, zoals zoveel ambachtslieden, naar de Verenigde Staten om een beter sociaal en economisch bestaan te vinden. Vol met ideeën keerden ze in 1858 terug en ontwikkelden in Oirschot de zogenaamde Amerikaanse stoel (met een comfortabele zit het tegenovergestelde van de rechte Brabantse knoppenstoel), geheel gemaakt van hout. In 1919 werd officieel de R.K. Vereniging van Fabrikanten van Oirschotse stoelen opgericht. In de loop der jaren zijn er zo'n 8 meubelfabrikanten begonnen met het vervaardigen van stoelen en vele soorten meubelen. Als symbool van Oirschot werd de grootste stoel van Europa door de fa. Meeuwis gemaakt in 1958.
Toeristische trekpleister.
Aanvullende informatie: waarom stoelenfabriek in Oirschot (en ook Culemborg, Deventer, Mechelen)? Omdat op het platteland de grondstoffen in ruime mate aanwezig waren en er voldoende arbeidskrachten voorhanden waren die bekend waren met het gebruikte materiaal (beuken- en vruchtbomenhout). De lonen in deze streken waren lager dan in de stad. De grondleggers van de stoelenindustrie in Oirschot waren C.J. en A. Teurlincx, die in de 2e kwart van de 19e eeuw reeds in werkplaatsen stoelen maakten.
In 19e eeuw waren de voornaamste bestaansmiddelen in deze streek: landbouw, veehouderij en ambachtelijke nijverheid (vooral huisweverijen, maar ook leerlooierijen, brouwerijen, ververijen, stoelenmakerijen, korenmolens, klompenmakerijen, smederijen). Later volgde de stoelen/meubelindustrie. De economische situatie in Oirschot in de 18e en 19e eeuw werd grotendeels bepaald door infrastructurele ontwikkelingen: de weg van 's Hertogenbosch naar Luik en de spoorlijn van Tilburg naar Eindhoven lieten Oirschot links liggen waardoor Oirschot achterop raakte bij de andere dorpen in de omgeving. Hierdoor volgde in 1887 tot 1900 een vertrekoverschot. In 1923 kwam het Wilhelminakanaal klaar en konden zo de grondstoffen en producten makkelijk vervoerd worden.